31 maart

 

Meestal ga ik
op tijd naar bed.

 

Soms zijn er nachten
dat ik wakker lig
en nadenk
over wat er nu gebeurt
in onze wereld
en me zorgen maak
om wat er komen gaat.

 

Niet eens zozeer
om wat míj overkomt
maar om mijn kinderen,
mijn vrienden
en mijn lief.

 

Wat nou
als iemand ziek wordt,
heel erg ziek misschien
en overlijdt

wat dan?

 

Of erger nog
als niets meer ooit
hetzelfde wordt,
de wereld uit balans
voor lange tijd
en dan denk ik aan jaren
of veel langer nog

wat dan?

 

Hun leven zal nooit meer
hetzelfde zijn als dat van mij
die opgegroeid is
in een zorgeloosheid
die zó vanzelfsprekend was
dat ik niet eens besefte
hoezeer ongekend
in de geschiedenis dat was.

 

Hoe vinden zij hun weg?
Hoe zal hun leven gaan
in de onzekerheid, de strijd
die dan normaal geworden is
misschien?

 

Ik weet het niet,
mijn hart gaat naar hen uit
en naar die anderen
dichtbij, veraf,
het maakt niet eens zoveel verschil!

 

Ik zou ze gunnen
dat ze leven,
voluit leven in vertrouwen
dat er, wat er ook gebeurt,
een oog, een oor, een hart zal zijn,
een uitgestoken hand
wanneer het lot hen treft.

 

Ik hoop het,
maar ik weet het niet,
dus lig ik wakker in de nacht
en kan niet slapen
. . .

 

 


[einde maart]